|
|||||
|
Het is een behoorlijke crop van de originele afbeelding, maar je kunt hier wel een aantal typische kenmerken van de hooiwagen Lacinus ephippiatus zien. Zo uitvergroot is pas goed te zien wat een bijzondere dieren hooiwagens zijn. Ik sta vanmorgen met mijn slaperige kop te ontbijten in de keuken als ik opeens een wezentje zie rennen door de spoelbak. Je denkt dan meteen aan een zilvervisje, dat was het feitelijk ook want het behoort tot de orde van de zilvervisjes (Zygentoma), maar om precies te zijn is het een papiervisje (Ctenolepisma longicaudatum). Papiervisjes hebben namelijk antennes en staartdraden die langer zijn dan de lengte van hun lichaam en ze zijn ook wat donkerder van kleur. Het lichaam van een papiervisje is bedekt met blauw-paars gekleurde schubben. Ze kunnen een lengte bereiken van zo’n twee centimeter en zijn aan te treffen tussen boeken en papieren (die van mij had zeker gewoon dorst). Ze voeden zich met organisch materiaal zoals vezels uit papier, kunstvezels uit cellulose en textiel van plantaardige vezels. Ook kleinere soortgenoten staan op het menu. Ze leven dus in een droge omgeving in tegenstelling tot het echte zilvervisje (Lepisma saccharina). Ze ziet er zo groot in beeld vervaarlijk uit, maar dat valt wel mee hoor. Het is slechts een hooiwagen en wel Lacinus ephippiatus. Hooiwagens worden vaak met spinnen verward, vooral met de grote trilspin (Pholcus phalangioides). Het duidelijkste verschil met spinnen is de afwezigheid van de sterke insnoering tussen kopborststuk en achterlijf. Ook hebben hooiwagens geen spintepels of gifklieren.
De belangrijkste kenmerken van hooiwagens zijn:
Bron: De Nederlandse Hooiwagens door Hay Wijnhoven Getverderrie, ik vind tot nu toe alleen maar gewone oorwormen (Forficula auricularia) terwijl er genoeg andere soorten zijn. Hier meer over de broedzorg van de gewone oorworm. Dit twee millimeter kleine spinnetje vond ik ergens in een bosrijk gebied op de Veluwe. Eigenlijk moet ik zeggen dat het diertje mij gevonden had, want het zat op mijn rugzak. Gauw het opvallend rode beestje in een potje gedaan om het later te kunnen fotograferen. Taai en glibberig, dat zijn de eigenschappen van het kleverig koraalzwammetje (Calocera viscosa), een helder oranje paddenstoel welke op vermolmde stronken en stammen van dennen groeit. De steeltjes zijn vier tot acht centimeter hoog en vertakt als een gewei of koraal. Tijdens een wandelingetje vanmiddag vonden we drie exemplaren van de grote wintervlinder (Erannis defoliaria) vlak bij een buitenlamp rustend op een muur. Alle drie waren ze totaal anders getekend, van bijna geheel bruin tot heel contrastrijk zoals die op de foto. Het waren allen mannetjes, want alleen deze hebben vleugels. Het vrouwtje is net zoals bij de kleine wintervlinder vleugelloos. Een niet zo heel erg algemene paddenstoel is de heideknotszwam (Clavaria argillacea). Zoals de naam al doet vermoeden kun je hem vinden op de heide, maar ook op andere voedselarme, zure gronden zoals verstuivingen en in de duinen. Op 17 februari van dit jaar berichtte ik over de geotropie van een echte tonderzwam (Fomes fomentarius). Laatst was ik toevallig weer op dezelfde plek en heb de zwam weer op de foto gezet. De paddenstoel blijkt in de tussentijd aardig gegroeid te zijn. |
|||||
|
Copyright © 2012 De Natuur van Bert - All Rights Reserved |
|||||
Recente reacties